Gezinspolitiek nieuws

De rijopleiding in de toekomst : langer en duurder?

Begin december was er de Vlaamse Conferentie Regionalisering Verkeersveiligheid (VCRV) over de verkeersveiligheid in Vlaanderen. Wie de media van de voorbije weken heeft gevolgd, krijgt al gauw de indruk dat een ruime groep onderzoekers, mobiliteitsverenigingen, middenveldorganisaties en andere betrokkenen unaniem nieuwe regels hebben goedgekeurd. Uiteraard is het zo eenvoudig niet. Wat de rijopleiding betreft heeft de Gezinsbond deelgenomen aan een voorbereidende werkgroep. Deze werkgroepen formuleerden aanbevelingen die het startpunt vormen voor een verder beleidsproces. Veranderingen dienen zich aan, maar er zijn nog heel wat knopen door te hakken.

De verkeersveiligheid in Vlaanderen staat nog voor grote uitdagingen, ondanks de verbeteringen in de laatste jaren. Per miljoen inwoners telt Vlaanderen jaarlijks 60 verkeersdoden : een gemiddelde score binnen het geheel van de Europese Gemeenschap, maar bijna dubbel zo veel als de best presterende lidstaten. Om tot de Europese top te behoren formuleert het Pact 2020 een streefcijfer van maximum 200 doden en 1500 zwaargewonden tegen 2020. Het ontwerp Mobiliteitsplan Vlaanderen scherpt deze ambitie aan tot respectievelijk 133 en 1000 tegen 2030, om met de "vision zero" in 2050 te landen op nul verkeersdoden en een beperkt aantal zwaargewonden. Daarvoor zijn op diverse terreinen ingrijpende maatregelen nodig (verbetering van de infrastructuur, eenduidiger signalisatie, gerichte sensibilisering naar verschillende doelgroepen, betere handhaving en opvolging van recidive...). De overdracht van bevoegdheden in het kader van de zesde staatshervorming biedt Vlaanderen mogelijkheden om op een aantal vlakken eigen en meer samenhangende initiatieven te nemen. Eén van de nieuwe bevoegdheden is de organisatie van de rijopleiding. En daarmee kan Vlaanderen zich richten op één van de risicogroepen in het wegverkeer: de beginnende autobestuurders.

Beginnende chauffeurs als risicogroep

In de leeftijdscategorie 18 tot 24 jaar telde België in 2011 141 doden en 1023 zwaargewonden, voor Vlaanderen waren dat 68 doden en 554 zwaargewonden. Het aandeel van deze groep jongeren in de totale bevolking is ongeveer 10 %, maar deze groep is wel betrokken in ruim 20 % van de ernstige letselongevallen. Tegenover landen met een vergelijkbare sociaaleconomische status (Nederland, Duitsland of de Scandinavische landen) scoren wij daarmee bijzonder slecht. Beginnende chauffeurs zijn oververtegenwoordigd in de ongevallencijfers en de eerste 1.500 tot 3.000 kilometer blijken op dat punt cruciaal te zijn. Onder zoek wijst uit dat dit vooral te wijten is aan een beperkte rijervaring (bepaalde automatismen zijn nog onvoldoende verworven). Ook meer persoonsgebonden attitudes kunnen van belang zijn (leeftijd, hoe kijkt de chauffeur tegen het rijden aan, wat betekent rijden in de context van leeftijdsgenoten).

Veilig rijden moet je leren

Europese standaarden en buitenlandse ervaringen tonen aan dat deze hoge ongevallencijfers kunnen verbeteren door een goede analyse en aanpak van de rijopleiding. Drie elementen staan daarbij voorop.

  1. Vooreerst moet binnen de opleiding, naast de technische en correct aangeleerde  basisvaardigheden, veel meer aandacht gegeven worden aan aspecten van risicoperceptie, defensief rijden, verkeersattitude, e.a. Dat zijn wat men noemt 'hogere orde vaardigheden' die Europees voor de rijbekwaamheid vooropgezet worden.
  2. Verder moet meer tijd gaan naar het inoefenen, het  inslijpen van deze basisvaardigheden en deze gaan toepassen en uitbreiden naar meer complexe verkeerssituaties. Dat vraagt een periode van begeleiding en coaching van de beginnende chauffeur. Deze periode wordt bij voorkeur als een leertraject opgezet , waar reflectie en evaluatie hun plaats krijgen. Voor de oefenperiode denkt men vooral aan begeleiders met een pedagogische band met de chauffeur (ouders, iemand met ervaring...). Willen begeleiders deze rol goed kunnen opnemen dan is omkadering en ondersteuning gewenst.
  3. Ten slotte moet het behalen van een rijbewijs minder gezien worden als een eenmalig moment maar eerder als een tussenstap in een levenslang proces waarin mensen op verschillende momenten op een aangepaste manier met hun mobiliteit leren omgaan. Dat betekent dat de verschillende vaardigheden moeten gevolgd en getoetst worden of dat bij herhaalde fouten/overtredingen dit leerproces moet bijgestuurd worden.

Gezinnen ondersteunen in hun engagement

In vroegere standpunten heeft de Gezinsbond het belang van een kwalitatieve rijopleiding en een goede oefenperiode steeds verdedigd. De rol van verantwoordelijke ouders staat daarbij buiten kijf. Zij wensen zeker een inspanning te doen om hun kinderen op de best mogelijke manier voor te bereiden op hun deelname aan het autoverkeer. Voor zover deze ambities op een voor gezinnen pakbare wijze gerealiseerd worden, kan de Gezinsbond zich daar mee voor inzetten. In de voorbereidende werkgroep heeft de Gezinsbond twee belangrijke accenten naar voor geschoven.

  1. Het vooropstellen van een intensifiëring van de rijopleiding, van een grotere betrokkenheid van de ouders als oefenbegeleiders en van hun engagement om een goed leertraject uit te bouwen zijn oké. Maar dit moet zodanig gebeuren dat zij daarvan de meerwaarde ervaren en bereid zijn de extra inspanning te leveren. Zo wordt er bijvoorbeeld gedacht aan een logboek dat de oefenritten in kaart brengt en de leervorderingen bijhoudt. Wanneer dit te complex wordt dreigt het een formeel vodje papier te worden dat zijn pedagogische bedoeling mist. Idem voor de ideeën rond een gezamenlijk startmoment met de leerling chauffeur en de begeleider of voor reflectiemomenten tussendoor. Het bewaken van een goed en realistisch draagvlak is dus allernoodzakelijkst om de kwaliteit van de rijopleiding effectief te verhogen.
  2. Een meer uitgesponnen opleiding zal in elk geval stapsgewijs gebeuren. Los van de vraag wat het aandeel van rijscholen daarin is, zal dit bijkomende investeringen vragen naar onderzoek en uitbouw van dit proces. Het gaat dan over de vraag hoe examinering duidelijker afgestemd wordt op de vooropgestelde vaardigheden en attitudes of hoe de nodige omkadering voor de oefenbegeleiders vorm krijgt. Het argument dat een betere opleiding, die beginnende chauffeurs, hun families en de maatschappij behoedt voor veel verkeersleed en kosten, een prijs heeft die zijn investering meer dan waard is, kan niet zomaar naar de individuele gezinnen vertaald worden. Als de overheid haar ambities om de verkeersveiligheid te bevorderen en om het aantal slachtoffers te doen dalen wil waarmaken, zijn er niet enkel investeringen nodig in infrastructuur, in sensibilisatie of in handhaving. Ook de investering in opleiding hoort daarbij; aanzetten daartoe zijn reeds gegeven via Rijbewijs op School, Start to Drive en andere initiatieven.

Nog werk aan de winkel

Deze beide punten zijn bij de opmaak van de aanbevelingen voor de VCVR consequent naar voor gebracht (niet enkel door de Gezinsbond) en zij bleken ook duidelijk een punt van discussie. In de uiteindelijke redactie van de aanbevelingen door de stuurgroep van de conferentie zijn deze aandachtspunten veel minder expliciet geformuleerd : "De rijopleiding moet "haalbaar" blijven voor iedereen. Aandacht hiervoor is nodig en in het bijzonder voor kandidaat-bestuurders met minder financiële middelen en andere beperkingen om het rijbewijs te behalen (fysieke beperking, socio-economische situatie...)". Dit is voor de Gezinsbond onvoldoende. Het is duidelijk dat er nog een hele weg te gaan is vooraleer de juiste timing en de concrete modaliteiten voor een aanpassing van de rijopleiding klaar zijn. Dat beseft ook Vlaams minister Crevits. In haar slottoespraak op de VCVR gaf zij aan dat zij in de aanbevelingen rond de rijopleiding heel wat nuttige ideeën leest, maar dat de haalbaarheid en betaalbaarheid ervan moeten bekeken worden. Met dank aan de minister voor deze correcte nuancering.

Luk Wouters - 20 december 2013